Zo vindt u het passende bit voor uw paard
Bitten juist opmeten
Bitten dienen de fijne communicatie tussen ruiter en paard. De hulpen moeten direct en gericht op de paardenmond worden overgebracht. Daarvoor is het nodig dat het bit de passende vorm en maat heeft en correct is aangesnoerd. Omdat de paardenmond zeer gevoelig is, moet dit thema zorgvuldig worden behandeld en aan de individuele behoeften van uw paard worden aangepast.
Hier leert u hoe u de juiste bitmaat bepaalt.
Meten heel eenvoudig
Zo bepaalt u de bitbreedte
Bij het opmeten van de breedte moet u er rekening mee houden dat tussen kaak en bitring een afstand van 5 mm blijft. Verder mag het bit niet verder dan 0,5 cm uitsteken wanneer het recht in de mond ligt.
Of u downloadt bij Sprenger de bitbreedtemeter, of u neemt een leren riem (of stroband) en legt die als een bit in de mond. Markeer dan de beide zijkanten bij de paardenmond. Vervolgens kunt u met een meetlint de lengte meten.
Bitten met vaste zijdelen
Kiest u voor een paardenbit met vaste zijdelen (bijv. olijfkop- en D-ring bitten of schoudertrensen), kan het bit een halve tot hele maat kleiner worden gekozen dan bij zogenaamde waterbitten.
Bitten met beweeglijke zijdelen
Bij waterbitten, dus bitten met vrij beweeglijke ringen, is het belangrijk dat de mondhoeken niet worden ingeklemd en de ringen altijd vrij beweeglijk blijven. Bij rechte ligging in de paardenmond mag het bit niet meer dan 0,5 cm uitsteken (§ 70 van de actuele LPO).
Kandaren & onderlegtrensen
Rijdt u op kandare, dan moet deze een halve tot hele maat kleiner worden gekozen dan de bijbehorende onderlegtrens. Deze moet in de maat vergelijkbaar worden gekozen als het gebruikte werkbit.
2-vinger-test
Bitdikte bepalen heel eenvoudig
Een belangrijk criterium bij de keuze van bitten is hun dikte. Ook hier zijn er verschillende varianten. De bitdikte moet altijd individueel aan het paard worden aangepast. Bepalend is hierbij hoeveel ruimte in de mond van het paard beschikbaar is. Er bestaat wijdverbreid een misvatting dat paarden met grote hoofden een dikker bit nodig hebben dan fijne paarden. De mondholte is in werkelijkheid vaak kleiner en vlakker dan doorgaans wordt aangenomen.
De 2-vinger-test
Een iets onnauwkeurige, maar zeer behulpzame methode om de benodigde dikte te meten is de 2-vinger-test. Steek daartoe wijs- en middelvinger op de plaats in de paardenmond waar ook het bit wordt ingelegd. Voelt u druk op beide vingers, dan ligt de aanbevolen dikte bij 14 – 16 mm. Voelt u daarentegen nauwelijks druk, dan kunt u ook een bit met een dikte van 16 – 18 mm gebruiken.
Als u het heel precies wilt weten, kunt u uw dierenarts bij het volgende tandonderzoek om hulp vragen.
Kiest u een bit dat te dik is, kan dit zeer onaangenaam op het gevoelige gehemelte drukken en tot pijnlijke drukplekken leiden. Helaas komt dit probleem relatief vaak voor en kan het tot kopslaan, opensperren van de mond of tot een „op de hand leggen“ leiden. Vertoont uw paard deze symptomen, dan moet u de bitdikte ook eens controleren.